“Levens die nergens meer naartoe gaan”

Chris Keulemans
Inleiding bij Vaarwel, cowboy van Olja Savičević

Een badplaats na de oorlog, wat is er triester? De dorre velden, de verbleekte graffiti, het vuil dat door de straten waait aan de achterkant van die badplaats. De huizen daar, aan de achterkant, onder de schroeiende zon, waar mensen wonen en elke dag op de vorige lijkt. Levens die nergens meer naartoe gaan, vastgekoekt op een plek waar elke zomer de toeristen landen om even later weer te vertrekken.

vaarwel-cowboyOngelooflijk, hoe Olja Savičević van zo’n plek, ergens aan de Dalmatische kust, een verhaal kan maken dat geen seconde stilstaat. Het is springerig van begin tot eind, nerveus en rusteloos. Haar zinnen hebben geen geduld. Ze blijven nauwelijks langer dan een alinea of twee in het gareel. Net als ze even met zijn allen iets lijken te beweren wervelen ze alweer uit elkaar, als een stofwolk van snoeppapiertjes, losse takjes en ongemakkelijke herinneringen die door de straten waait van die badplaats na de oorlog.

Over de oorlog zelf zegt ze weinig. Haar hoofdpersoon Dada, het meisje dat stoer doet omdat ze anders uit elkaar zou vallen van verdriet en verveling, ook niet. En het hoeft ook niet. Wat valt er nog over te zeggen? Kijk om je heen, in die badplaats, aan de Dalmatische kust in Kroatië. Alles wat kapot kon is kapot. De oude bioscoop van haar vader, bouwkranen die niets meer te bouwen hebben, hotel Ilirija, dat nog wel open is maar vervalt waar je bijstaat. De sfeer van stilte en rust ’s middags bij de receptie en in de lounge; ook hingen er geen witte, ruwe badhanddoeken met een ingeweven logo en de naam van het hotel, maar simpele, gekleurde handdoeken die door het eindeloos wassen bijna doorzichtig dun waren geworden. Maar de meest essentiële geurelementen waren er wel: de chloorlucht van gewassen en gesteven lakens, de geur van pastei en Indiase thee en de stank van andermans zomervakantie. De onschuld van zomeravonden, liefde zonder bijbedoelingen, dorpsfeesten waar niemand ontbreekt – het is allemaal verdwenen en komt niet terug. Langs de weg hangt een levensgroot affiche van generaal Gotovina, oorlogsmisdadiger. Kroatië is een serieus getroebleerd land, een land met foute helden en een slecht geweten. Dat wak in het zelfbewustzijn, al is het twintig jaar geleden, wordt nog altijd opgelapt met provisorisch vermaak en broeierig, zomaar opflakkerend geweld.

Savičević heeft het er niet over. Niet direct. Haar gebutste personages, allemaal met hun eigen mankementen, zeggen genoeg. De vadsige buurman, een dierenarts die de schoonheid zoekt in veel te jonge jongens. Haar moeder, die op een nacht zo op drift raakt dat Dada haar terugvindt langs de snelweg, op één schoen, niet in staat nog een woord uit te brengen. Haar mooie broer Danijel, die voor de trein is gesprongen.

En de cowboy uit de titel. Nog zo’n fabelachtig personage. Ned Montgomery, een van die Amerikaanse B-acteurs die het in Hollywood niet redde, in de jaren zeventig, maar een posterboy werd in Joegoslavië, toen daar het hele land smulde van derderangswesterns in het kielzog van Sergio Leone. Hij komt nog één keer terug, de shoot-out moet plaatsvinden in de dorre velden aan de achterkant van de badplaats. Montgomery is een schim van zichzelf, een cynische alcoholist die niet meer recht vooruit kan plassen. Hij staat met een zware kater in het toilet, op de ochtend van de laatste opnamedag, en ziet de pis langs zijn knokige benen omlaag sijpelen.

Maar ook de afgetakelde cowboy is uiteindelijk niet de held op wie de camera van Savičević blijft hangen. Ook als hij eenmaal opduikt blijft haar blik verspringen. Telkens als haar rusteloze zinnetjes even samenballen, als ze even inzoomt op de donkere kern van het verhaal, dan dwaalt ze alweer verder. Dat is haar methode, en die is vreselijk effectief. Juist omdat ze zelf nooit erg lang stilstaat bij het grote drama – de zelfmoord van Danijel, het verval van Kroatië, de oorlog – blijft dat bij de lezer des te pijnlijker hangen. Als de nabeelden die je ziet als je je ogen sluit omdat je te lang in de schroeiende zon hebt gekeken.