Onder de stilte stormt het

Karin Amatmoekrim
Inleiding bij Een les voor het sterven van Ernest J. Gaines

Ik las verschillende interviews met de inmiddels bejaarde schrijver Ernest J. Gaines, en steeds waren de gesprekken gesitueerd op de veranda van zijn huis in Pointe Coupee Parish, Louisiana. Het waren gemoedelijke gesprekken met een schrijver die ontegenzeglijk deel uitmaakte van de plek. Zozeer zelfs dat alles wat hij aanwees bijzonder vertrouwd voelde. Zelfs voor iemand die nog nooit in het zuiden van de Verenigde Staten is geweest. Daar, op de veranda van zijn huis op wat ooit bekend stond als The Riverlake Plantation en waar zijn familie vijf generaties lang op het land werkte, in eerste instantie als slaaf, was hij thuis. Daar ook bevindt zich het landschap van al zijn romans.

Electric_Chair_at_Sing_Sing-noborderTerwijl andere zwarte schrijvers in hun werk onderzochten wat hun rol was in een complexe, in hoog tempo veranderende wereld, keerde Gaines juist terug naar zijn geboortegrond en baseerde zijn complete oeuvre op die plek. Daarmee richtte hij een ingetogen, bedrieglijk stille wereld op. De verhalen die hij vertelt voeren terug naar de tijd van voor de afschaffing van de segregatie, van de jaren 40, toen zwarte vrouwen de huishoudens van blanke gezinnen bestierden en zwarte kinderen slechts vijf maanden per jaar naar school gingen, omdat ze de rest van het jaar op het land moesten werken. Maar wie denkt dat Gaines refereert aan lang vervlogen tijden, beseft al snel dat juist het tegenovergestelde aan de hand is. De verhalen zijn, in hun realiteitszin en kernachtigheid, nog onverminderd geldig. Een zwarte, arme jongen als Jefferson, de ter dood veroordeelde in Een les voor het sterven, zou immers ook nu, in het nieuwe millennium, gemakkelijk doelwit kunnen worden van een bevooroordeeld rechtssysteem. De discussie die het boek opwerpt over de ongelijke verdeling van macht, waarin blanke mannen beslissen over het lot van zwarte jongens, is pijnlijk actueel.

Het is de tegenstelling van enerzijds een historisch besef en anderzijds een onverbiddelijke tijdloosheid die dit boek zo interessant maakt. De spanning tussen die twee elementen doemt ook op bij het personage van Jeffersons leraar, Grant Wiggins. Wiggins wordt gedreven door een verlangen naar individualiteit en vrijheid, maar moet uiteindelijk erkennen dat hij zichzelf niet los kan maken van de mensen op de plek waar hij vandaan komt. Een worsteling met identiteit die volkomen herkenbaar is, juist nu, in een tijd die gekenmerkt wordt door grote migratiestromen en samenlevingen die kampen met identiteitscrises.

Gaines’ diepe besef van menselijk verdriet creëert in Een les voor het sterven een sfeer van stille en altijd aanwezige dreiging. Het is een stilte waaronder het stormt. Maar gaandeweg dringt zich in de maalstroom van onafwendbare gebeurtenissen een les op, aan Jefferson en aan Wiggins, maar ook aan ons, de lezers. Namelijk dat onze menselijkheid onlosmakelijk verbonden is aan een gevoel van eigenwaarde. Een les voor het sterven is daarmee een verhaal dat de menselijke waardigheid boven tijd en plaats verheft.

Ik heb een levendige voorstelling van Ernest J. Gaines die zijn verhalen dicteert, zittend op zijn veranda, uitkijkend over het landschap van zijn jeugd. De pecanbomen, de oude slavenkwartieren, het kleine kerkje verderop waar hij ooit als kind naar school ging en dat hij nu heeft laten opknappen. En daar, de oude begraafplaats voor zwarte bewoners. Hij heeft er al een plekje gereserveerd, las ik in een van die interviews. En ik vermoed dat hij erbij glimlachte. Als je de storm doorstaan hebt, schuilt er troost in het terugkeren.