‘Hij is een rare,’ zegt hij.

Carolina Trujillo
Voorwoord bij De plaats van Mario Levrero

Mario Levrero had een hekel aan voorwoorden.
Ik lees ze nooit.
Ik raad u dan ook aan deze pagina’s gewoon over te slaan en meteen te beginnen in De plaats.

Als u er nog bent heeft u kennelijk besloten mijn raad in de wind te slaan.

Levrero meende dat de lezer van een verhaal in een door de schrijver geïnduceerde trance terechtkomt. Een derde persoon heeft in dat proces niets te zoeken. Ook niet, bijvoorbeeld, als inleider. De plaats is iets tussen Levrero en u.

Levrero schrijft dingen als:

Voor ik naar bed ga loop ik mijn dagelijkse ronde door het huis om te kijken of alles in orde is. Het raam van de kleine badkamer achter is dicht en het onthoofde paard ligt nog steeds te rotten in de badkuip. Ik sluit de deur zodat de geur de slaapkamer van mijn zwager niet bereikt.

Aan de schrijver van deze woorden bent u over een paar pagina’s overgeleverd.

Het was zomer in Nederland toen uitgeverij Bananafish mij vroeg of ik het voorwoord bij El lugar wilde schrijven. Ze gingen ervan uit dat ik Levrero zou kennen, maar dat was niet zo. Ik ben al veel te lang weg uit Uruguay en gek genoeg is Levrero’s werk niet erg wijd verspreid.
De uitgeverij zou me een exemplaar van het boek sturen.
levrero-e1363793861464Die avond bel ik mijn vader, die in Montevideo woont. Ik vraag hem of hij bekend is met het werk van Levrero.
‘Hij is een rare,’ zegt hij.
‘Een rare?’
Kennelijk bestaat er een school Uruguayaanse auteurs die ‘Los raros’ wordt genoemd: ‘De raren’. Misschien kun je dat eigenlijk beter als ‘de zonderlingen’ vertalen, want het Nederlands biedt geen meervoud voor ‘rare’, maar ik vind ‘raren’ leuker.
Het internet bevestigt wat mijn vader zegt: volgens de Uruguayaanse literaire kritiek is Levrero een rare. Volgens Levrero is de literaire kritiek een storende dialoog.

Levrero overleed in 2004 en gaf niet veel interviews. Er bestaat er een dat hij zichzelf afnam. Daarin lees je:

I: Wat is voor jou literatuur?
ML: Het is de kunst die men uitdrukt via het geschreven woord.
I: Wat is dan kunst?
ML: Dat is, volgens mij, het pogen een spirituele ervaring over te brengen.
I: Leg eens uit wat je met een ‘spirituele ervaring’ bedoelt.
ML: Dat is iedere ervaring, zolang je daarin de aanwezigheid van de geest kunt constateren of zo je wilt: van mijn geest. En voor je weer een van die vragen van je inbrengt, zal ik me haasten het concept te definiëren: de geest is iets dat leeft en onbeschrijfelijk is, iets dat een deel vormt van de dimensies van de werkelijkheid die normaal buiten het bereik van de zintuigen ligt, en zelfs buiten de normale stadia van het bewustzijn.

Even later vraagt hij zichzelf: ‘Stoort dit interview je?’
Hij antwoordt: ‘Niet meer dan andere. Maar ik ben me wel een beetje aan het vervelen.’

Het interview en de aard van De plaats zijn wat mij betreft een impliciete uitnodiging om hem te vragen op diezelfde plek met mij af te spreken. Ik doe dat als ik dit werk dat u nu vasthoudt net uit heb en door het park loop tussen de omgewaaide bomen. Het mag dan hartje zomer zijn, Nederland wordt geteisterd door hevige stormen. Alles is kapot: tramleidingen, hijskranen, bomen. Het lijkt of de wereld van De plaats van de pagina’s is gesprongen en mijn wereld heeft verslonden.

Of hij met mij af wil spreken, vraag ik hem. ‘Voor in het voorwoord.’
Hij draagt een bril met dikke glazen en een zwaar montuur. ‘Dit is groots!’ zegt hij. Hij bedoelt niet het feit dat hij na zijn dood naar het Nederlands vertaald wordt. Hij bedoelt ook niet het voorwoord. Het is de paranormale context van onze ontmoeting. Die vindt hij geweldig. Connecties tussen geesten. Daar kun je hem voor wakker maken. Toen hij leefde al.
‘Waar wil je het over hebben?’ vraagt hij.
‘Over die deuren,’ zeg ik. Ik wil weten hoe hij al die deuren in zijn geest heeft gevonden die hem brengen naar de plekken waar hij verhalen over schrijft. Deuren zoals die in De plaats voorkomen, maar ook de deur die hem naar de badkamer met dat paard bracht, of naar het binnenste van een aansteker of naar een van al die andere plekken waar ik me inmiddels naartoe gelezen heb, want nadat ik De plaats in een ruk uitgelezen had, heb ik al het Levrero gelezen dat ik te pakken kon krijgen.
‘Dát wil je weten?’
Ik knik.
‘Hoe je bij de deuren komt?’
Ik knik weer.
‘Voor dat voorwoordje of voor jezelf?’
‘Het voorwoord is al zo goed als klaar,’ zeg ik.
Hij steekt een sigaret op, inhaleert, en blaast de rook weer uit.

Op de vraag van Bananafish antwoordde ik dat ik alleen zou meewerken als het boek zich niet weg liet leggen. Dat laat het zich nog steeds niet, ook niet nu de storm gaan liggen, het boek uit en het voorwoord erin verwerkt is. Een deel van mij is in De plaats achtergebleven en dwaalt nog steeds rond in die eindeloze hoeveelheid kamers met die deuren, vereenzaamd en krankzinnig geworden. Ik zou u hiervoor willen waarschuwen, maar u luistert toch niet.

_

Amsterdam en omstreken,
augustus 2015